vrijdag 20 april 2012

Geliefde Leider, 10e fragment


‘Aan dit privilége zijn echter ook nieuwe plichten verbonden. Je zult belast worden met de taak mijn nieuwe opera’s en muziekstukken na te lezen. Hopelijk overleef je het langer dan de vorige uitverkorene. Ach, wat een tragisch ongeval. De ene dag enthousiast begonnen aan het nakijken van mijn compositites, de volgende dag gevonden aan de voet van een van de hoogste toppen van de Witkoppige Berg. Een opvallende prestatie, gezien het massief ettelijke honderden mijlen van hier ligt. De geest van de man kon vast niet overweg met de grootsheid van mijn werk.’
     ‘Vast niet, Geliefde Leider. Het is slechts weinigen gegeven uw werk naar waarde te schatten. Mag ik u complementeren met het stuk dat we zonet gehoord hebben?’
     De Leider keek hem met toegeknepen ogen aan, niet zeker of zijn bediende de spot met hem dreef of niet.
    ‘Dat was Mozart, Kang. Een westerse componist, wiens afkomst ik echter heb kunnen terugleiden naar onze glorieuze natie. De familie Moh-Sha-Ryu is in de vijftiende eeuw naar Oostenrijk geïmigreerd. Zonde natuurlijk, maar geen reden om zijn muziek te verketteren. Oostenrijk heeft altijd een zekere aantrekkingskracht gehad op artistieke genieën,’ weidde de Leider uit, rondlopend met de handen op zijn rug. In gedachten verzonken pauzeerde hij even. ‘Eigenlijk vreemd dan,’ ging hij traag verder, ‘dat één van de grootste, en artistiek meest begaafde geesten van de 20ste eeuw het land in de bloei van zijn jeugd verliet om zich op de politiek te werpen. Aanvankelijk kende hij een reusachtig succes, werd hij bejubeld door zijn eigen volk omwille van de belofte het land uit het slop te trekken. Jaren later liep het mis. Ernstig mis. Niet alleen voor hem, maar voor de ganse natie. Maar toch, hij was een groot man, een man die tegelijkertijd charisma en dreiging kon uitstralen. Soms zou ik willen dat ik hem was, Kang. Ik ben nederig genoeg om te erkennen dat hij veel belichaamt van wat ik zou willen bereiken. Een zekere je-ne-sais-quoi. Een vermogen om mensen te inspireren hem blindelings te vertrouwen, heftig geïnspireerd door zijn natuurlijke leiderschap. Desalniettemin is het beter niet te lang bij deze verlangens stil te staan, men zou zich er immers snel in kunnen verliezen. Mijn volk vreest en bemint mij en dat is genoeg. We kunnen nu eenmaal niet allemaal zoals de gouverneur van Californië zijn.’

woensdag 4 april 2012

Geliefde Leider, 9de fragment


Het was nacht. In een verduisterde kamer wierp een spot een oog van licht op de betegelde vloer. De grammofoonspeler speelde de Requiem mis van Mozart. Het Dies Irae schalde uit de glanzende hoorn en deed de glazen in de kast erlangs trillen. De Leider stapte naar voren, het oog vervormend met zijn schaduw, en ging in de houding staan. Als hij zich concentreerde op het spel van licht en schaduw zag Kang de Redder van het Vaderland, een indrukwekkende figuur van reusachtige, uitgerokken proporties met de macht de gevaren van imperialisme en kapitalisme resoluut de kop in te drukken. Standvastig als een rots in de branding, even krachtdadig als zijn vader, een verschijning die net zo naar de keel greep als het crescendo van de muziek op de achtergrond. Keek hij naar de fysieke Leider voor hem zag hij een klein mannetje met een droevig gezicht en een veel te grote zonnebril.
     ‘Wel Kang? Wat is je ondeskundige mening over deze bril?’
     ‘U ziet er goed uit, Hij die Verscheen uit het Licht van Zon en Maan.’
     ‘Wekt het een gevoel van angst, maar tegelijkertijd ook respect op?’
     ‘Ik kon het zelf niet beter verwoorden, Leider.’
     ‘Van ontzag en charisma?’
     ‘Onmiskenbaar, Leider.’
     ‘Een aura van dierlijke woestheid dat enkel in toom wordt gehouden door mijn ijzeren wil en bovenmenselijke beheersing?’
     ‘Ik tril en beef bij het aanschouwen van uw verschrikkelijke verschijning, Leider.’
     ‘Pardon?’ vroeg de Leider kil.
     ‘Uw verschrikkelijke woede, Geliefde Leider, vergeef een verstrooide dienaar. Enkel de wetenschap dat u de barmhartigste man bent die ooit onder de sterren heeft geregeerd zorgt ervoor dat ik niet flauwval van angst.’
     Van deze woorden leek de Leider op te beuren.
     ‘Dat klopt, mijn beste. Ik kan inderdaad ongelooflijk barmhartig zijn. Laat dit als bewijs gelden: vanaf morgen zal het je zijn toegestaan je dagelijks langer dan dertig minuten buiten het paleis te begeven.’
     ‘U bent te goed, Redder van het Vaderland. Ik huil warme tranen van blijdschap.’
     De Leider stak zijn hand op, als teken dat hij nog niet klaar was met praten.