maandag 14 januari 2013

Geliefde Leider, 11de fragment



‘Mijn beste Kang,’ was de Leider begonnen, zijn vingers naar zijn neus brengend. ‘Wegens… bewezen diensten en als blijk van…waardering zou ik je dit jaar een kleine attentie willen overhandigen.’ De Leider wikte bij het spreken zijn woorden zorgvuldig, alsof hij begrippen hanteerde die hij tien minuten geleden (voor de koffie, na de whisky) in het woordenboek had opgezocht. ‘Moge je miezerige bestaan worden opgevrolijkt met het vooruitzicht ook het komende jaar tijd in mijn gezelschap door te mogen brengen.’ Hij peuterde wat in zijn neus, maar probeerde het zo te doen overkomen dat hij over zijn neusvleugels aan het wrijven was. ‘Het rode pak is voor jou. Maak maar open.’
    Kang knipperde even met zijn ogen, niet helemaal zeker hoe hij moest reageren op deze ongewone, potentieel levensbedreigende situatie (in feite was elke situatie waar de Leider bij betrokken was potentieel levensbedreigend, en dan voornamelijk voor anderen. Enkel de inschattingskans verschilde. Van het aantrekken van zijn sokken tot het drinken van koffie, bij elke doordeweekse handeling van de Leider vielen doorgaans meer slachtoffers dan bij een Rwandese genocide, en werd er minder moeite gedaan om de lijken te verbergen). Met trillende handen trok hij de strik langzaam los.

vrijdag 20 april 2012

Geliefde Leider, 10e fragment


‘Aan dit privilége zijn echter ook nieuwe plichten verbonden. Je zult belast worden met de taak mijn nieuwe opera’s en muziekstukken na te lezen. Hopelijk overleef je het langer dan de vorige uitverkorene. Ach, wat een tragisch ongeval. De ene dag enthousiast begonnen aan het nakijken van mijn compositites, de volgende dag gevonden aan de voet van een van de hoogste toppen van de Witkoppige Berg. Een opvallende prestatie, gezien het massief ettelijke honderden mijlen van hier ligt. De geest van de man kon vast niet overweg met de grootsheid van mijn werk.’
     ‘Vast niet, Geliefde Leider. Het is slechts weinigen gegeven uw werk naar waarde te schatten. Mag ik u complementeren met het stuk dat we zonet gehoord hebben?’
     De Leider keek hem met toegeknepen ogen aan, niet zeker of zijn bediende de spot met hem dreef of niet.
    ‘Dat was Mozart, Kang. Een westerse componist, wiens afkomst ik echter heb kunnen terugleiden naar onze glorieuze natie. De familie Moh-Sha-Ryu is in de vijftiende eeuw naar Oostenrijk geïmigreerd. Zonde natuurlijk, maar geen reden om zijn muziek te verketteren. Oostenrijk heeft altijd een zekere aantrekkingskracht gehad op artistieke genieën,’ weidde de Leider uit, rondlopend met de handen op zijn rug. In gedachten verzonken pauzeerde hij even. ‘Eigenlijk vreemd dan,’ ging hij traag verder, ‘dat één van de grootste, en artistiek meest begaafde geesten van de 20ste eeuw het land in de bloei van zijn jeugd verliet om zich op de politiek te werpen. Aanvankelijk kende hij een reusachtig succes, werd hij bejubeld door zijn eigen volk omwille van de belofte het land uit het slop te trekken. Jaren later liep het mis. Ernstig mis. Niet alleen voor hem, maar voor de ganse natie. Maar toch, hij was een groot man, een man die tegelijkertijd charisma en dreiging kon uitstralen. Soms zou ik willen dat ik hem was, Kang. Ik ben nederig genoeg om te erkennen dat hij veel belichaamt van wat ik zou willen bereiken. Een zekere je-ne-sais-quoi. Een vermogen om mensen te inspireren hem blindelings te vertrouwen, heftig geïnspireerd door zijn natuurlijke leiderschap. Desalniettemin is het beter niet te lang bij deze verlangens stil te staan, men zou zich er immers snel in kunnen verliezen. Mijn volk vreest en bemint mij en dat is genoeg. We kunnen nu eenmaal niet allemaal zoals de gouverneur van Californië zijn.’

woensdag 4 april 2012

Geliefde Leider, 9de fragment


Het was nacht. In een verduisterde kamer wierp een spot een oog van licht op de betegelde vloer. De grammofoonspeler speelde de Requiem mis van Mozart. Het Dies Irae schalde uit de glanzende hoorn en deed de glazen in de kast erlangs trillen. De Leider stapte naar voren, het oog vervormend met zijn schaduw, en ging in de houding staan. Als hij zich concentreerde op het spel van licht en schaduw zag Kang de Redder van het Vaderland, een indrukwekkende figuur van reusachtige, uitgerokken proporties met de macht de gevaren van imperialisme en kapitalisme resoluut de kop in te drukken. Standvastig als een rots in de branding, even krachtdadig als zijn vader, een verschijning die net zo naar de keel greep als het crescendo van de muziek op de achtergrond. Keek hij naar de fysieke Leider voor hem zag hij een klein mannetje met een droevig gezicht en een veel te grote zonnebril.
     ‘Wel Kang? Wat is je ondeskundige mening over deze bril?’
     ‘U ziet er goed uit, Hij die Verscheen uit het Licht van Zon en Maan.’
     ‘Wekt het een gevoel van angst, maar tegelijkertijd ook respect op?’
     ‘Ik kon het zelf niet beter verwoorden, Leider.’
     ‘Van ontzag en charisma?’
     ‘Onmiskenbaar, Leider.’
     ‘Een aura van dierlijke woestheid dat enkel in toom wordt gehouden door mijn ijzeren wil en bovenmenselijke beheersing?’
     ‘Ik tril en beef bij het aanschouwen van uw verschrikkelijke verschijning, Leider.’
     ‘Pardon?’ vroeg de Leider kil.
     ‘Uw verschrikkelijke woede, Geliefde Leider, vergeef een verstrooide dienaar. Enkel de wetenschap dat u de barmhartigste man bent die ooit onder de sterren heeft geregeerd zorgt ervoor dat ik niet flauwval van angst.’
     Van deze woorden leek de Leider op te beuren.
     ‘Dat klopt, mijn beste. Ik kan inderdaad ongelooflijk barmhartig zijn. Laat dit als bewijs gelden: vanaf morgen zal het je zijn toegestaan je dagelijks langer dan dertig minuten buiten het paleis te begeven.’
     ‘U bent te goed, Redder van het Vaderland. Ik huil warme tranen van blijdschap.’
     De Leider stak zijn hand op, als teken dat hij nog niet klaar was met praten.

vrijdag 23 maart 2012

Geliefde Leider, 8ste fragment


     ‘Het is… Het is in orde. Alles onder controle. Ik werd net bevangen door, door,… Een visioen. Ja, dat was het een epifanie. Nee Kang, vraag me niet wat het was. Ik moet het nog verwerken. Het was iets met... Konijnen. Dat was het, reusachtige konijnen! We gaan immense konijnen kweken om de nationale vleesconsumptie op te drijven.’ Hij wiste het zweet van zijn voorhoofd en betastte zijn jasje op zoek naar een zakdoek. ‘Contacteer alle konijnenkwekers ter wereld Kang, en breng me een iets te eten. Ik verga van de honger. Probeer ook maar gewend te geraken aan het gevoel van een whiskyglas op je rug, ik zie dat je een druppel gemorst hebt. Pronto Kang, pronto. Dat is Spaans, mijn flegmatieke functionaris, kijk me niet zo verbaasd aan. Als Leider van de natie moet ik elke taal ter wereld beheersen, hoe minderwaardig ook.’
     Toen Kang en de andere bedienden verdwenen waren leunde de Leider even tegen de muur om terug op krachten te komen, en bibberend schuifelde hij terug naar zijn bureau. Uit de onderste la haalde hij een fles Hennessey cognac en een smoezelig glas vol vingerafdrukken. Na een slok genomen te hebben liet hij zijn tong even marineren in de drank. Plots overspoeld door een geweldige hoofdpijn bedekte hij zijn ogen, en wendde hij zich af van het felle licht dat door het raam naar binnen viel. Kreunend sleepte hij zichzelf naar een zetel en plofte languit neer. De laatste gedachte die door zijn hoofd schoot voor hij in slaap viel was dat hij een zonnebril nodig had. Dat, en een bosbessenwafel.

vrijdag 9 maart 2012

Geliefde Leider, 7de fragment


Ze waren nu halverwege de eindeloze gang. De vloer was bekleed met lopers van zachte wol, en om de twee passen stond een verguld voetstuk met Chinese vazen. De kristallen tranen aan de luchters tinkelden zacht op het ritme van de wind die door een raam naar binnen zweefde. Hoewel de temperatuur nog erg aangenaam was rilde de Leider even toen het briesje hem omhelsde, waarbij er kippenvel langs zijn armen naar omhoog kroop. Hij smakte even met zijn lippen om een plotse metaalsmaak in zijn mond kwijt te raken. Tussen de maaltijden door liep hij graag wat te sabbelen op een stukje roestvrij staal, maar deze smaak was anders. Terwijl hij zijn hand naar zijn mond probeerde te brengen trokken zijn vingers zich onwillekeurig samen, alsof de krakende kootjes zich probeerden te onttrekken aan zijn palm. Toen hij voelde dat hij begon te wankelen greep hij blindelings naar het dichtstbijzijnde voetstuk. Het gerinkel van de vaas deed enkele kamermeisjes onthutst opkijken, en ook Kang draaide zich in gebogen houding langzaam volledig om zijn as. Terwijl de wereld om de Leider heen draaide leek hij een vage schreeuw te horen die in zijn hoofd weerkaatste. De dienstmeisjes durfden nog altijd niet ingrijpen en stonden als versteend te kijken hoe hun Leider op de grond neerzeeg. Zijn linkerbeen schokte zonder ophouden, alsof hij aan het tapdansen was met de dood. Patapie, patapa, en de grijnzende schedel van Magere Hein wierp hem een kushandje toe. Hij schreeuwde wat luider. Ondertussen kwam Kang tergend langzaam op hem af schuifelen, ervoor oppassend dat hij geen druppel uit het glas op zijn rug morste. Voor hij hem kon bereiken begon de Leider zich terug op te werken en stak hij zijn hand in de hoogte om de bediende te verhinderen hem te helpen. Hijgend probeerde hij zijn woorden te vinden.

vrijdag 24 februari 2012

Geliefde Leider, 6de fragment


‘Nu, even over iets anders: vertel mijn generaals dat het mijn uitdrukkelijke wens is dat het aantal nucleaire tests gevoelig wordt verhoogd.’
    ‘Dat zal gebeuren, Geliefde Leider. Hoeveel verhoogd zou u het aantal willen?’
    ‘Gevoelig Kang, Gevoelig. Zo gevoelig als je rug, als ik op het kraken van je wervels moet afgaan. Buig nog eens Kang. Het geluid doet me denken aan versgemaakte popcorn. Ik hou wel van popcorn.’
    ‘Leider?’
    ‘Buig, Kang.’
De oude bediende boog zo diep hij kon, waarbij zijn rug opnieuw een krakend geluid teweegbracht.
    ‘Hah, niets zo onderhoudend als de pijn van een ondergeschikte. Bepoederd met bloemsuiker en overgoten met boter zou ik je zo kunnen opeten. Goed werk. Je mag weer rechtstaan.’
    ‘Ik… Ik kan niet Geliefde Leider. Ik denk dat er iets in mijn rug is geschoten.’
    ‘Ach, dat kunnen we niet hebben. Waggel eens naar hier.’
    De man strompelde naar voren, zijn rug halfgebogen en zo stijf als een plank, hopend dat hij niet over zijn handen zou struikelen voor hij aan het bureau van zijn meester stond. De Leider richtte zich op, een glas cognac in de hand.
    ‘Nu even heel stil blijven staan, mijn beste. Stilstaan, stilstaan, … Daar.’
    De Leider deed een stap achteruit. Het glas balanceerde nu op de rug van de dubbelgeklapte Kang, die zijn adem inhield ten einde het glas niet te doen hellen door een of andere bruuske beweging.
    ‘Zo, ik zal mijn goede inborst tonen vandaag. Als je de ziekenboeg bereikt zonder drank te spillen zal ik er persoonlijk voor zorgen dat je de best denkbare behandeling krijgt. Als er echter ook maar één drupje uit het glas ontsnapt, gebruik ik je een week lang als bijzettafel. Vooruit, en niet te snel. Ik volg je.’
    Kang snotterde van blijdschap bij een vertoon van zoveel mildheid en begon voetje voor voetje de werkkamer uit te schuifelen. Statig stapte de Leider achter hem aan, roepend in de richting van verschrikte kamermeisjes dat ze uit de weg moesten gaan om zijn trouwe bediende door te laten. Hij probeerde wat imposante houdingen uit om er zo indrukwekkend mogelijk uit te zien. Het schoot hem te binnen dat hij zich bij zijn volgende ronde door het paleis kon laten begeleiden door een escorte. Wat soldaten zouden wel volstaan, of misschien een groepje raddraaiende kapucijnaapjes met leuke hoedjes. Mao was praktisch ingesteld geweest, maar de Leider had stijl.

woensdag 15 februari 2012

Geliefde Leider, 5de fragment


‘Zoon van de 21e Eeuw, er is telefoon voor u.’ De Leider schrok op uit zijn mijmeringen.
    ‘Wat zei je daar Kang?’
    ‘Iemand zou u willen spreken aan de telefoon, Geliefde Leider. Een zekere mevrouw Rice.’
    ‘En wie zou dat wel moeten zijn? Maakt niet uit, ik neem wel op in mijn bureau. Verbindt ze door.’
   
    ‘Annyǒng hashimnigga. Wie heeft de eer met de Zon van het Socialisme te spreken?’
    (…)
    ‘U vertegenwoordigt wie zegt u?’
    (…)
    ‘Alle Verenigde Staten?’
    (…)
    ‘Ik begrijp niet…
    (…)
    ‘En op welke manier heeft dit betrekking op mij mevrouw?’
    (…)
    ‘Mag ik vragen hoe u weet hebt van die zogenaamde nucleaire tests?’
    (…)
    ‘Dus u baseert uw bevindingen op het feit dat er seismische activiteit gemeten is in de Stille Oceaan?’
    (…)
    ‘Ik zal nooit waarnemers toelaten op mijn grondgebied, nee. Het verbaast me dat u dit durft te suggereren. Wie denkt u wel dat u bent? Voor welke organisatie werkte u weer, zei u?’
    (…)
    ‘Weet u mevrouw, ik heb genoeg gehoord. Ik ben niet geïnteresseerd.’
    (…)
    ‘Hoezo, wat bedoel ik daarmee? Ik ben niet geïnteresseerd!’
    (…)
    ‘In alles wat u te bieden hebt! Ik heb geen zin om hier nog meer tijd aan te verspillen. Tot ziens mevrouw.’

Hij smeet de hoorn op de haak en drukte op zijn buzzer. Binnen enkele tellen stond Kang langs hem. Bij het buigen kraakte zijn rug onheilspellend.
    ‘Een probleem Geliefde Leider?’
    ‘Niets noemenswaardig, mijn beste ondergeschikte. Weer iemand die mij een interessant pakket met niet te versmaden voordelen probeerde aan te smeren. Het lijkt wel een plaag tegenwoordig, een test om ons op de proef te stellen. Voor je het weet stromen onze rivieren rood en worden onze velden leeggevreten door zwermen… Wat is het woord weer dat ik zoek? Begint met een ‘k’.’
    ‘Krekels, Leider?’
    ‘Kapitalisten. Dat zocht ik. De tien Bijbelse plagen Kang. Let maar op.’
    Kang fronste zijn wenkbrauwen in bewondering.